Serie: De Power van Pionieren, aflevering 1

1 september 2021

Buurtwarmte, een hittebestendig initiatief

Je eerste stapjes als kind. De eerste meters in een elektrische auto. De eerste dag van je pensioen. Alles moet een keer voor het eerst gedaan worden voordat we weten hoe het is. En voordat we er ook goed in worden. Zo óók het organiseren van een warmtenet voor én door bewoners in Groningen. En zoiets van de grond krijgen, dat is pionieren pur sang. Dat is héél veel leren. En die geleerde lessen delen we graag met jou.

In onze serie 'De Power van Pionieren' nemen we je zes weken lang mee in de wereld van het pionieren. We trappen af met de ups en downs van het project Buurtwarmte, waar we met veel enthousiasme aan meewerkten en op dit moment verder door ontwikkelen.

Pittige lessen zijn te lezen in het rapport 'Buurtwarmteprojecten door burgerinitiatieven, meer dan koudwatervrees?' van Rijksuniversiteit Groningen, Hanzehogeschool Groningen, TNO en Grunneger Power i.s.m. Paddepoel Energiek. In het rapport is te lezen dat bewoners samen met energiecoöperaties een essentiële rol spelen in de energietransitie. Lees hier het rapport. Een samenvatting lees je hieronder. 

***

Samenvatting rapport: Buurtwarmteprojecten door burgerinitiatieven, meer dan koudwatervrees

Sinds de Nederlandse regering in samenspraak met vele maatschappelijke partijen besloten heeft dat woningen in de toekomst niet met aardgas maar met andere energiebronnen dienen te worden verwarmd, zijn op talloze plaatsen in Nederland initiatieven ontstaan om tot warmtenetten te komen. Behalve gemeenten, warmtebedrijven en energiebedrijven staan ook bewonersgroepen aan de wieg van dergelijke projecten. Zij laten zien dat het kan en doen het gewoon; samen met de buurt collectieve warmte organiseren.

Het doel van onderstaand rapport van de Rijksuniversiteit Groningen is meer zicht te krijgen op de vraag in welke mate en hoe burgerinitiatieven rond collectieve warmtenetten erin slaagden resultaat te boeken. Sinds enige jaren ontstaan steeds meer van dit soort initiatieven in Nederland, in navolging van wind- en zonne-energiecoöperaties, en als aanvulling op commerciële warmtenetten. De centrale vraag hier is of en hoe de door warmtenet-burgerinitiatieven behaalde resultaten samenhangen met hun interne kracht en hun vermogen om de externe sociale en andere omstandigheden te gebruiken of te mobiliseren. Met interne kracht wordt gedoeld op een duidelijk doel, de organisatie, capaciteit en activiteiten van het burgerinitiatief. Met externe sociale omstandigheden worden drie elementen bedoeld. Allereerst het naburige netwerk, de wijk en de participatievorm. Verder het externe publieke netwerk, oftewel de rol van de gemeente en andere semi-publieke organisaties. En tenslotte het private netwerk, de adviseurs, financiers, bedrijven en verwante organisaties. Tot materiële omstandigheden wordt de technologie van de gekozen energiebron en de bio-fysieke omgeving gerekend, zoals de wijkstructuur, en de aanwezigheid van water of aardwarmte. Centraal staat het Groningse project 050 Buurtwarmte in de wijk Paddepoel dat vergeleken wordt met andere projecten die de laatste 5 jaar gestart zijn, in de Wageningse Benedenbuurt, de Haagse Vruchtenbuurt en het Amsterdamse Ketelhuis/Wilhelmina Gasthuisterrein.

Uit de studie komt naar voren dat de onderzochte initiatiefgroepen sterk op elkaar lijken, maar er daarnaast duidelijke accentverschillen zijn. Zo zijn de doelstellingen verwant maar varieert de samenstelling van de groep, de deskundigheid en de organisatiegraad. Deze laatste waren in Groningen periodiek minder dan elders hetgeen het boeken van resultaten bemoeilijkte. Dat initiatieven aan het begin een behoorlijk kennisniveau hebben, van hun wijk, techniek/bouw, verdienmodellen, communicatie en participatie of deze snel eigen kunnen maken, lijkt van groot belang. Hetzelfde geldt voor het gebruik of de opbouw van netwerken. Ondersteuning met betaalde krachten uit eigen kring kan gebrek aan eigen deskundigheid compenseren.

De initiatieven deden alle met succes een beroep op gemeenten en andere overheden. Het verkrijgen van voldoende financiële armslag lukte meestal goed, zeker toen de overheid Programma-Aardgasvrije-Wijken-gelden of een vergelijkbare subsidie verstrekte, en het gaf steeds een enorme impuls, ook in Groningen. Bestaande contacten of sterk vergelijkbare doelstellingen maakten het makkelijker met de gemeente samen te werken. Deze stelden wel eisen aan de kracht en professionaliteit, maar indien daaraan werd voldaan, kregen de initiatieven ruimte. In Groningen voldeed het initiatief in de ogen van de gemeente niet, waarna de gemeente koos voor samenwerking met de stedelijke energiecoöperatie. Op dat in Groningen na werkten alle initiatieven nauw samen met semi-publieke instanties zoals woningcorporaties, een waterbedrijf of een netbeheerder, waardoor partnerschap- pen ontstonden. Het aanhaken van private partijen, vooral installateurs en ingenieursbureaus, soms banken of een grote energiemaatschappij verliep vaak goed, maar stelde hoge eisen aan de capaciteiten van de initiatiefgroep. Dat gold ook voor de private partijen zelf die andersoortige risico’s moesten nemen en met een onbekend type partner in zee moesten gaan. Een zorgvuldige selectie bleek nodig, zoals bijvoorbeeld in Wageningen en Amsterdam. Samenwerking met verwante energiecoöperaties was in alle gevallen leerzaam. Beoordeling of mede-ontwikkeling van de technologie voor de warmtenetten vereiste soms interne scholing, zoals in Groningen en Wageningen, en tijd. Ook het vinden van een duurzame bron in de buurt was lastig, maar in drie gevallen waaronder Groningen bleek aquathermie een goede optie.

Al met al blijkt een project dat zowel goed ingebed is in externe netwerken als gedragen wordt door een gemotiveerde, doelgerichte, kundige, goed georganiseerde groep van deelnemers, kansrijk. Het biedt bewoners de mogelijkheid om op niveau samen te werken met gemeenten of andere partijen. Een netwerk is cruciaal maar de vormgeving kan sterk uiteenlopen, zolang, zo lijkt het, er maar een overheidspartij en een kundige private of semi-publieke partij bij betrokken is.

Ook de mobilisatie van de buurt varieert, maar is wezenlijk. Zichtbaarheid, het bieden van betrokkenheid bij de keuzes, duidelijkheid over de plannen en continuïteit zijn daarbij belangrijk. Aan het eind van het rapport wordt een overzicht van aanbevelingen en enkele relevante keuzes gegeven.

Lees hier het rapport van de Rijksuniversiteit Groningen.